Het comfort van stoepen in Brussel: werk in uitvoering
- 2 dagen geleden
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 1 dag geleden
In Brussel moeten stoepen comfortabel en in goede staat zijn. Hoewel deze stelling vanzelfsprekend lijkt, roept de praktische uitvoering ervan concrete vragen op. De wetgeving die de kenmerken van een stoep vastlegt, blijft namelijk vrij vaag. Het Gewestelijk Mobiliteitsplan (GMP) daarentegen biedt een strikt kader om het comfort van de verschillende niveaus van het Brusselse voetgangersnetwerk te evalueren.
Een voetgangersnetwerk in vijf niveaus
Het Brusselse voetgangersnetwerk is opgebouwd uit vijf categorieën, elk met specifieke regels. Bovenaan deze hiërarchie staat de Voetgangersmagistrale, die in het GMP nauwkeurig wordt gedefinieerd: een minimale breedte van 5 meter, waarvan 3 meter vrij van obstakels.
Daarna volgen:
het Voetganger Plus-netwerk, met de belangrijkste voetgangersassen;
het Voetganger Comfort-netwerk, dat de grote assen met elkaar verbindt;
het Wijknetwerk, dat de lokale straten omvat;
en tot slot het netwerk van Trage Wegen, goed voor 800 km aan wandelroutes, maar zonder specifieke eisen op het vlak van comfort of toegankelijkheid.
Deze indeling maakt deel uit van de Multimodale Specialisatie van de Wegen (MSW), die de openbare ruimte organiseert volgens de noden van elke vervoersmodus.
Comfort meten: een objectieve methode
Hoe wordt dat comfort gemeten? Het Gewestelijk Mobiliteitsplan voorziet dat elk niveau van het voetgangersnetwerk een score krijgt na analyse met de meetstoel van het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW). Deze onderzoeksinstelling, gespecialiseerd in wegeninfrastructuur in België, gebruikt een toestel met sensoren om het comfort van stoepen te meten op een schaal van 0 tot 10. Ter illustratie: de Grote Markt in Brussel, gelegen in de Vijfhoek, krijgt een score van 0/10 en terwijl het Spiegelplein in Jette de maximale score van 10/10 behaalt.
De normen zijn duidelijk: een stoep in het wijknetwerk moet minstens 6/10 halen, terwijl de netwerken Comfort, Plus en Magistrale minstens een 8/10 moeten behalen. Dit strikte kader veronderstelt dat gemeenten en het Gewest een goed zicht hebben op de staat van hun netwerk, wat tot voor kort niet altijd het geval was.
Concrete vooruitgang sinds 2025
Vroeger werkte elke gemeente volgens haar eigen methodes, zonder globale coördinatie of met enkel ad-hoc ingrepen. Sinds 2025 is er echter een harmonisatiebeweging op gang gekomen. Gemeenten worden nu aangemoedigd om hun volledige voetgangersnetwerk in kaart te brengen en een precieze comfortscore toe te kennen met behulp van de meetstoel van het OCW. Daarnaast wordt de staat van de stoepen en de conformiteit van oversteekplaatsen geëvalueerd via visuele inspectie, met behulp van een mobiele applicatie.
Sint-Agatha-Berchem was een pionier met een volledige inventaris, met steun van Brussel Mobiliteit en het OCW. Etterbeek rondt momenteel zijn eigen inventarisatie af, terwijl gemeenten zoals bijvoorbeeld Jette en Elsene eveneens interesse hebben getoond. In Elsene maakt deze aanpak deel uit van een breder voetgangersplan.
Kartografie als hefboom voor actie
Waarom investeren in een volledige cartografie van stoepen? Omdat een gedetailleerd inzicht in het netwerk toelaat om beheer en onderhoud gericht te plannen. Door alle analysegegevens te koppelen aan de verschillende netwerkniveaus (Plus, Comfort en Wijk), kunnen wegbeheerders prioriteiten bepalen.
Een toegankelijk voetgangersnetwerk is geen luxe, maar een noodzaak voor mensen in een rolstoel, voor ouders met kinderwagens en voor iedereen met beperkte mobiliteit. Comfortabele en goed onderhouden stoepen dragen bij aan een inclusieve stad en stimuleren wandelen, wat een belangrijke factor is voor de volksgezondheid.
Wat zijn de obstakels voor een volledige cartografie?
De belangrijkste drempels blijven tijd en financiële middelen. Een opgeleide technicus met de meetstoel kan gemiddeld 5 km stoep per dag analyseren. Voor kleinere gemeenten is dat haalbaar, maar voor grotere gemeenten zoals Anderlecht, Brussel-Stad of Schaarbeek vormt dit een veel grotere uitdaging op vlak van middelen.
Ook de visuele inspectie van de staat van het voetgangersnetwerk en de oversteekplaatsen vraagt aanzienlijke personeelsinzet: ongeveer 4 km stoep kan per dag worden gecontroleerd. Dit werk kan wel uitgevoerd worden door minder ervaren personen. In Etterbeek bijvoorbeeld heeft een groep opgeleide vrijwilligers geholpen om snel de nodige gegevens te registreren. Een voorafgaande opleiding blijft wel essentieel om de data correct te kunnen invoeren.
Naar een toegankelijk, veilig en aantrekkelijk voetgangersnetwerk
Een volledige analyse van de stoepen is slechts een eerste stap. Toegankelijkheid is namelijk slechts één van de vier pijlers van voetgangersmobiliteit, naast veiligheid, continuïteit en aantrekkelijkheid.
Nu de verplichting om gemeentelijke mobiliteitsplannen op te stellen is weggevallen, wordt het des te belangrijker dat gemeenten eigen voetgangersplannen ontwikkelen.
Elsene geeft het goede voorbeeld: met steun van Brussel Mobiliteit en begeleid door studiebureaus werkt de gemeente aan een voetgangersplan om de wandelbaarheid te verbeteren.
Walk is van mening dat tegen 2030 elke gemeente over een actieplan moet beschikken, gebaseerd op een grondige analyse van haar netwerk.
Walk volgt deze evoluties van nabij, zowel op gewestelijk als op gemeentelijk niveau.


